donderdag 14 december 2000

Zijn de media verantwoordelijk voor een overspannen beeld rond seksueel misbruik?



Stelling en inleiding t.g.v. van de uitreiking van de TransAct mediaprijs voor berichtgeving op gebied van seksueel geweld. De Balie Amsterdam, 14 december 2000.

Peter Vasterman.



Stelling: "de media schetsen op het ene moment een zeer overspannen beeld rond pedoseksualiteit, kindermoorden of ontucht op scholen, maar melden het volgende moment niet meer hoe het verder gaat en of de problemen toe- dan wel afnemen. Dat gaat ten koste van de geloofwaardigheid van de media."


dinsdag 19 september 2000

De vonk, de ontbranding en het aanjagen van het vuur. Media en maatschappelijke verontwaardiging

Peter Vasterman, De vonk, de ontbranding en het aanjagen van het vuur. Media en maatschappelijke verontwaardiging. 


dinsdag 1 augustus 2000

Het is niet erger, we vinden het erger

Gepubliceerd in: Haarlems Dagblad
1 augustus 2000.


Agressie op werk treft een op de drie.

Een op tien heeft last van seksuele intimidatie in de werksfeer.

Het aantal meldingen van vermoedelijke affectieve of lichamelijke verwaarlozing is bijna verdubbeld.


Een ding is wel zeker: onze percepties, definities en waardeoordelen zijn in de laatste decennia ingrijpend veranderd.




De inmiddels gebruikelijke jaarlijkse toename van het aantal gevallen van kindermishandeling heeft dan ook meer te maken met een verruiming van het begrip kindermishandeling dan met een toename van geweld tegen kinderen.

In onze welvarende samenleving gaat het steeds meer om onzichtbare problemen, die alleen maar door onderzoek in kaart kunnen worden gebracht.
  
De opkomst van de 'risicosamenleving': we zijn langzamerhand in de ban geraakt van onzichtbare risico's waarover wij uitsluitend nog door de media worden geïnformeerd.

 Als we ons van dat proces bewust zijn en ons niet laten meeslepen door de bekende doemscenario's waarin het slachtofferschap overheerst.


Guerrilla op het werk

Voor veel kranten was het laatst voorpaginanieuws: "Guerrilla op de werkvloer." "Agressie op werk treft een op de drie." Volgens onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een op de drie werknemers te maken gehad met geweld of verbale agressie op het werk, een op de zes wordt geconfronteerd met pesterijen, en een op tien heeft last van seksuele intimidatie in de werksfeer. In de media worden deze hoge cijfers die gebaseerd zijn op tamelijk ruime definities vaak gekoppeld aan extreme voorbeelden als het uitdrukken van peuken op de arm van het slachtoffer. Dat geeft het bericht extra nieuwswaarde, maar al die zeer lichte gevallen die ook meetellen in die statistieken blijft daardoor onduidelijk.

achter de façades van de BV Nederland

Achter de uit marmer en graniet opgetrokken façades van de BV Nederland met al die leaseauto's, tweede huizen, verre vakanties, veertiende maanden, lijkt één grote sociale ellende schuil te gaan. En dan hebben we hier alleen nog maar over de werkvloer. Een paar jaar geleden haalden vergelijkbare koppen de voorpagina's ("Miljoenen zijn slachtoffers geweld thuis.") toen een onderzoek van het ministerie van Justitie aantoonde dat bijna de helft (45 procent!) van alle Nederlanders ooit slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. Bovendien neemt het aantal meldingen van kindermishandeling al jaren toe: in 1999, zo blijkt uit de jaarcijfers van de Advies- en meldpunten kindermishandeling, is het aantal meldingen van vermoedelijke affectieve of lichamelijke verwaarlozing bijna verdubbeld. En dan hebben we het nog niet eens over het meest besproken issue van de laatste jaren: zinloos geweld.

percepties, definities en waardeoordelen

Nederland is zo een land van contrasten, op het eerste gezicht een perfect georganiseerde samenleving, maar achter de schermen één groot gewelddadig slagveld met miljoenen slachtoffers. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand, want in vergelijking met vroeger is de welvarende Nederlandse samenleving natuurlijk veel aangenamer, opener en vriendelijker dan vroeger met al die klasse- en standsverschillen. Het is dan ook zeer de vraag of Nederland wel zo veel gewelddadiger, pesteriger, agressiever, harder en wreder is geworden. Een ding is wel zeker: onze percepties, definities en waardeoordelen zijn in de laatste decennia ingrijpend veranderd. Veel van wat vroeger bijvoorbeeld onder een verantwoorde opvoedkundige aanpak viel, zowel thuis als op school, zou tegenwoordig zonder meer tot ernstige vormen van kindermishandeling worden gerekend. De inmiddels gebruikelijke jaarlijkse toename van het aantal gevallen van kindermishandeling heeft dan ook meer te maken met een verruiming van het begrip kindermishandeling dan met een toename van geweld tegen kinderen. Inmiddels valt volgens sommige deskundigen ook het onthouden van complimenten onder kindermishandeling omdat het kind daardoor geen positief zelfbeeld kan opbouwen.

historisch perspectief

Wat me dan ook stoort in de berichtgeving over dit soort sociale problemen is het ontbreken van enig historisch perspectief, want dat zou al die op 'één op drie' onderzoeken aardig kunnen relativeren. Als krantenlezer krijg je al snel de indruk dat het allemaal steeds erger wordt. Waar je dan niet bij stilstaat is dat zo'n sociaal probleem als pesten op het werk niet zomaar objectief gegeven is, maar dat er eerst een probleem van moet worden 'gemaakt': er liggen keuzes aan ten grondslag over wat er allemaal onder valt en hoe erg we dat vinden. Bovendien verliezen we uit het oog dat zo'n sociaal probleem een hele ontwikkeling gaat doormaken: het komt op de maatschappelijke agenda, er komen maatregelen, er wordt werk van gemaakt, er komen hulpverleners en deskundigen die zich met de aanpak gaan bezighouden.

verbreden van de definities

Dat leidt er doorgaans niet toe dat het probleem wordt opgelost, integendeel, omdat er meer werk van wordt gemaakt zullen er steeds meer gevallen boven water gaan komen. Het gevolg is dat we volgend jaar kunnen lezen dat net als bij kindermishandeling het aantal gevallen van pesten op het werk aanzienlijk is gestegen. De volgende stap is het geleidelijk verbreden van de definities: er zal steeds meer onder gaan vallen. De professionals van de instellingen die zich met de opvang bezighouden krijgen een gevestigd belang in 'hun' probleem en zullen steeds meer 'gevallen' onder dezelfde noemer gaan brengen. Daardoor breidt hun werkterrein zich steeds verder uit.

onzichtbare risico's

Ging het vroeger om direct zichtbare sociale problemen (krottenwijken), in onze welvarende samenleving gaat het steeds meer om onzichtbare problemen, die alleen maar door onderzoek in kaart kunnen worden gebracht. En dat geeft de onderzoekers, hulpverleners en professionals een grote invloed op de definiëring van het probleem. Sociologen spreken in dit verband wel eens over de opkomst van de 'risicosamenleving': we zijn langzamerhand in de ban geraakt van onzichtbare risico's waarover wij uitsluitend nog door de media worden geïnformeerd. En die media zorgen af en toe voor een enorme uitvergroting van een bepaald risisco zonder veel aandacht te schenken aan de historische context. Onherroepelijk gevolg: verontrusting bij het publiek.

steeds hogere eisen

Er zijn in Nederland veel minder grote sociale problemen dan vroeger &endash;denk alleen al aan mensonterende armoede- maar ons 'probleembewustzijn' is enorm toegenomen. Bevrijd van de dagelijkse strijd om het bestaan, gaan we telkens een stap verder en stellen we steeds hogere eisen aan onze leef- en werkomgeving. Daar is niets op tegen, tenminste als we ons van dat proces bewust zijn en ons niet laten meeslepen door de bekende doemscenario's waarin het slachtofferschap overheerst.



Peter Vasterman


Docent massacommunicatie aan de School voor Journalistiek in Utrecht.

vrijdag 7 juli 2000

Internet en de ramp: traditionele journalistiek domineert

De ramp op internet
De vuurwerkexplosie in Enschede is de eerste grote Nederlandse ramp die plaatsvond in het internettijdperk. Peter Vasterman inventariseerde de informatiestroom op websites. Conclusie: veel nieuws werd niet toegevoegd.

Gepubliceerd in De Journalist 7 juli 2000

 Snelle start

Vrijwel onmiddellijk na de ramp kwam er een uitgebreide informatiestroom op gang op het net, bestaande uit nieuwsberichten, ooggetuigenverslagen en mededelingen in allerlei nieuwsgroepen. Een paar uur na de ramp registreerde een webcam zelfs live beelden van de enorme rookwolken boven Enschede.

Niet alleen dagbladen als Twentse Courant/Tubantia en de Volkskrant kwamen op hun websites al snel met actueel nieuws, ook de nieuwsdiensten van internet providers als Planet Internet en World Online gaven berichten. Internet was er dus snel bij, maar wat hadden al die websites eigenlijk te bieden? En wat hebben ze toegevoegd aan de nieuwsvoorziening na die eerste schokgolf op 13 mei?

woensdag 21 juni 2000

De vuurwerkramp in de media


De videobeelden van de ontploffing in Enschede moeten welhaast op de Nederlandse de beeldschermen zijn ingebrand, zo vaak werden ze in de afgelopen weken herhaald. Even vaak is er in de berichtgeving verwezen naar wat al snel is gaan heten: ‘de lessen van de Bijlmerramp’. Meteen na de ramp kreeg enquêtevoorzitter Theo Meijer al de vraag of de overheid de aanbevelingen uit de Bijlmerenquête wel goed in praktijk had gebracht bij deze crisis.

De enquêtecommissie heeft zich daar niet mee bezig gehouden, maar de Bijlmeraffaire heeft ook de nodige lessen opgeleverd voor de media. Het eindeloos voeden van speculaties, geruchtenstromen en complottheorieën hebben toen bijgedragen aan ‘de ramp na de ramp’, namelijk een toename in het aantal gevallen van posttraumatische stress-stoornissen, bijgenaamd het ‘Bijlmer syndroom.’ De overheid communiceerde verdacht gebrekkig, met als resultaat een informatievacuüm waarin allerlei verhalen konden gaan rondzingen. De media waren zo sterk gefocust op het vinden van een toxische stof in de lading of in het vliegtuig zelf (verarmd uranium) dat andere verklaringen als doofpotmethoden werden beschouwd. Zouden bij de berichtgeving over Enschede dezelfde patronen kunnen optreden of hebben de media ook lering getrokken uit de Bijlmeraffaire?

Bij een dergelijke ramp is de druk op de media om nieuws te brengen enorm, de eerste dagen zijn er vele langdurige live radio en tv-uitzendingen, terwijl vooral ook op Internet al snel veel informatie beschikbaar is. De aandacht van de media is in die eerste uren volledig gericht op de ramp zelf, de verwoestingen en de gevolgen. De berichtgeving kort daarna valt uiteen in twee verschillende nieuwsstromen: naast de talloze verhalen en reportages over het leed, de emotie en de ellende, verschijnt er steeds meer over de oorzaken van de ontploffing, en daarmee over de schuldvraag.

In vergelijking met de Bijlmerramp komt dat journalistieke onderzoek snel op gang, terwijl de gezagsdragers meteen het vuur aan de schenen gelegd krijgen. Die afstandelijke benadering zo direct na de ramp wordt met name Nova-interviewer Kees Driehuis kwalijk genomen, getuige allerlei ingezonden brieven en internet discussies. Toch is die journalistieke afstand nodig om niet te worden meegesleept in de woede en het verdriet van Enschede. Afstand houden is dan hard nodig om te voorkomen dat de fragmentarische en mondjesmaat beschikbaar komende informatie meteen wordt omgezet in paniekzaaiende koppen, zware beschuldigingen of voorbarige oordelen. Ondanks het goede journalistieke speurwerk komt het gedurende die eerste week nog niet tot een echte doorbraak over de precieze oorzaken van de ramp.

Die situatie waarin de hoeveelheid echt nieuwe informatie afneemt, maar de druk om nieuws te blijven brengen nog steeds groot is, ontstaat een goede voedingsbodem voor speculaties, geruchten en ongecontroleerde uitspraken. Zeker als de overheden zich terughoudend opstellen; niet alleen omdat alle aandacht gaat uit naar de crisissituatie op dat moment, maar ook omdat er nog maar flarden aan informatie beschikbaar zijn over de achtergronden en juridische aansprakelijkheid dreigt. De overheid staat voor een dilemma: zo weinig mogelijk informatie verstrekken wekt de indruk iets verborgen te willen houden. Maar meteen openheid van zaken over wat er op dat moment bekend is, kan leiden tot verkeerde interpretaties omdat de het bredere kader ontbreekt. Details worden soms enorm uitvergroot en kunnen in de berichtgeving vervolgens een eigen leven gaan leiden.

Als de informatiestromen opdrogen, kunnen er makkelijk allerlei wilde verhalen opduiken. Een voorbeeld daarvan is het nieuws over af en aan rijden van lijkwagens, waardoor een paar dagen na de ramp het vermoeden gaat ontstaan dat er veel meer doden zijn gevallen. Dagblad De Twentsche Courant/Tubantia (17 mei): “Er sterke aanwijzingen zijn dat het dodental van de ramp in Enschede hoger is dan de autoriteiten tot nu toe zeggen.” (…) “Getuigen die anoniem willen blijven melden tenminste dertig lijken.” Als er dan ook nog nadrukkelijk bij wordt vermeld dat de autoriteiten dit met kracht ontkennen, versterkt dit uiteraard de onrust in Enschede.
“Waarom zwijgt de overheid?” Vraagt een overlevende zich af in De Telegraaf (18 mei) “Ik heb de woensdag en de donderdag voor de ramp met eigen ogen militaire wagens het terrein van de vuurwerkopslag op zien rijden. Wij mogen er pas in als alle sporen uitgewist zijn.” Dit soort verhalen kunnen, als ze niet snel worden gecontroleerd, aanleiding zijn voor allerlei complottheorieën. Hetzelfde geldt voor de berichten dat de eigenaren zijn ondergedoken om tijd te winnen, “kostbare tijd,” aldus TC Tubantia: “Het kan passen in een complottheorie. Door zich dagen schuil te houden wekken Bakker, Pater en de werknemers de indruk dat ze wat te verbergen hebben.” 


Voor de media ontstaat zo ook een groot dilemma: hoe ver kun je gaan met speculaties over de oorzaken en de schuldvraag op basis van zo weinig betrouwbare informatie. De druk op de redacties is groot, de verleiding om toch maar te publiceren evenzeer.
In vrijwel iedere krant en tv-rubriek is bijvoorbeeld vuurwerk concurrent Haarman te zien die op basis van een prijslijst van S.E. Firworks meldt dat er zware explosieven lagen opgeslagen. Merkwaardig genoeg nemen de media er genoegen mee dat hij vervolgens niet wil zeggen om welk materiaal het nu precies gaat. Een dag later meldt weer iemand anders dat het dan wel zal gaan om titaniumbommen.
Zoals veel andere kranten maakt Tubantia regelmatig gebruik van anonieme getuigen die allerlei theorieën loslaten “Een springmeester uit Twente, die anoniem wenst te blijven is ervan overtuigd dat er in de vuurwerkopslagplaats dynamiet, kruit, dan wel munitie lag.” (18 mei) Een andere anonieme bron, een ooggetuige volgens Tubantia, gaat nog een stap verder: “Ik denk dat het militaire springstof was, mogelijk een geheime opslag voor een ondergrondse na een eventuele bezetting van ons land.” Ook in andere kranten gonst het van de geruchten en de anonieme deskundigen en getuigen.

Ruim een week na de ramp bleek dat verschillende interpretaties niet standhielden: de deuren hadden bij nader inzien toch niet opengestaan (het ging op de foto om schaduwen van coniferen en zijmuurtjes) en de eigenaar die op het schokkerige videootje voorbij komt rennen (ook zo’n eindeloos herhaald beeld), bleek volgens een reconstructie van Nova helemaal niet meteen laf op de vlucht te zijn geslagen. In de berichtgeving is dan ook een geleidelijke omslag te zien: worden de eigenaren aanvankelijk nog als de grote criminelen beschouwd (De Telegraaf zet beiden met foto’s op de voorpagina: “Jacht op eigenaren.” 19 mei), in de tweede week wordt dat beeld weer wat milder na uitspraken van hun advocaat. Algemeen dagblad (“Eigenaren zouden levens hebben gered.”) brengt een bovendien interview met “mede-eigenaar en levenspartner” van een van de directeuren: “Onze onschuld zal blijken.” (25 mei).

Internet – nog geen massamedium ten tijde van de Bijlmer - heeft bij Enschede onmiskenbaar een grote rol gespeeld, zeker in de eerste dagen. De informatiestromen op Internet zijn echter buitengewoon divers en oncontroleerbaar, zeker als het gaat om nieuwsgroepen en discussieforums. Dit soort discussies met mysterieuze bijdragen als: “Het dodental betreft volgens geheime bronnen al 44.” (19 mei) vertonen een hoog X-Files-gehalte.
Toch dringen deze, vaak anonieme berichten soms door tot de krantenkolommen, met alle risico’s van dien. “Mysterieuze details over vuurwerkramp op internet.” Aldus Tubantia op 19 mei: “De anonieme afzender, die zich Pyrotech noemt, geeft een zeer gedetailleerde verklaring over de gang van zaken bij S.E. Fireworks, vlak voor de explosies.” Volgens de krant blijkt daaruit “dat de afzender zaterdagmiddag op het terrein aanwezig was, of heeft gehoord wat zich daar heeft afgespeeld.” Ook NRC Handelsblad (17 mei) voert Pyrotech op als een “kennelijk goed geïnformeerde bron,” Op 19 mei echter meldt Pyrotech in een laatste bericht dat hij geen ooggetuige was van de ramp en dat hij zijn excuses aanbiedt: “Ik heb de gevolgen van dat bericht onderschat toen ik het schreef.” De maandag daarop meldt Tubantia: “Getuigenis ramp op internet blijkt verzonnen.” NRC Handelsblad is nooit meer teruggekomen op Pyrotech.
Via Internet is veel informatie snel beschikbaar gemaakt, maar als het gaat om journalistiek onderzoek blijken de meeste Internet nieuwsdiensten en websites zich te beperken tot het eindeloos recyclen van informatie, vaak weer afkomstig uit andere media. Het ‘echte’ onderzoek wordt in de praktijk nog steeds overgelaten aan de ‘traditionele media’, de dagbladen en de actualiteitenrubrieken bij de publieke omroep.

De commerciële televisiezenders zijn meer geïnteresseerd én gespecialiseerd in die andere nieuwsstroom: het uitgebreid belichten van het leed na de ramp. Een dergelijke ramp past immers perfect in de bestaande reality tv formats met een hoog zwaailichtgehalte. Dagenlang konden de tv-kijkers kennis nemen van de verhalen van de mensen die bij de ramp betrokken waren. Sommige mensen, zoals de ouders van de omgekomen cameraman werden een hele dag gevolgd door een cameraploeg van SBS6, ook op momenten dat ze verschrikkelijk nieuws moesten verwerken. De media stonden overal bovenop en bleven doorgaan en doorvragen. Het was veel, heel veel en menige redactie zou zich moeten afvragen of het niet te veel was. Maar dit nieuws lag voor het grijpen, het is relatief makkelijk te produceren en het is in nieuwstermen gesproken bovendien zeer aantrekkelijk materiaal. Het emotioneert niet alleen, het scoort ook nog eens en daar gaat een onweerstaanbare aantrekkingskracht van uit.

Getraumatiseerde slachtoffers willen hun verhaal vele malen vertellen, ook aan journalisten, en daar gaat ook een zekere therapeutische werking uit. Maar men kan zich afvragen of de eindeloze herhaling van de beelden van de ramp, van de ontreddering en de ellende op den duur niet een averechts effect kan hebben. Telkens weer die confrontatie leidt misschien wel tot een versterking van het trauma en daarmee het ontstaan van de gezondheidsklachten die horen bij post traumatische stress stoornis. Ook verhalen over mogelijke giftige stoffen, over doofpotten bij de verantwoordelijke overheden, over geheimzinnige munitie in de vuurwerkopslag, etc. kunnen dat soort effecten opleveren. Dat legt een zware verantwoordelijkheid bij de media: slecht onderbouwde onthullingen of beschuldigingen kunnen schade aanrichten. En dat is iets om rekening mee te houden de komende weken. Of er een Enschede syndroom gaat ontstaan, hangt dan ook mede af van de tussentijdse evaluaties op de redacties.


Peter Vasterman.

dinsdag 13 juni 2000

Enschede en de media: balanceren tussen feiten, geruchten en emoties

Peter Vasterman

publicatiedatum: 13 juni 2000


 
De videobeelden van de ontploffing in Enschede moeten welhaast op de Nederlandse de beeldschermen zijn ingebrand, zo vaak werden ze in de afgelopen weken herhaald. Even vaak is er in de berichtgeving verwezen naar wat al snel is gaan heten: 'de lessen van de Bijlmerramp'. Meteen na de ramp kreeg enquêtevoorzitter Theo Meijer al de vraag of de overheid de aanbevelingen uit de Bijlmerenquête wel goed in praktijk had gebracht bij deze crisis.

De enquêtecommissie heeft zich daar niet mee bezig gehouden, maar de Bijlmeraffaire heeft ook de nodige lessen opgeleverd voor de media. Het eindeloos voeden van speculaties, geruchtenstromen en complottheorieën hebben toen bijgedragen aan 'de ramp na de ramp', namelijk een toename in het aantal gevallen van posttraumatische stress-stoornissen, bijgenaamd het 'Bijlmer syndroom.' De overheid communiceerde verdacht gebrekkig, met als resultaat een informatievacuüm waarin allerlei verhalen konden gaan rondzingen. De media waren zo sterk gefocust op het vinden van een toxische stof in de lading of in het vliegtuig zelf (verarmd uranium) dat andere verklaringen als doofpotmethoden werden beschouwd. Zouden bij de berichtgeving over Enschede dezelfde patronen kunnen optreden of hebben de media ook lering getrokken uit de Bijlmeraffaire?

Bij een dergelijke ramp is de druk op de media om nieuws te brengen enorm, de eerste dagen zijn er vele langdurige live radio en tv-uitzendingen, terwijl vooral ook op Internet al snel veel informatie beschikbaar is. De aandacht van de media is in die eerste uren volledig gericht op de ramp zelf, de verwoestingen en de gevolgen. De berichtgeving kort daarna valt uiteen in twee verschillende nieuwsstromen: naast de talloze verhalen en reportages over het leed, de emotie en de ellende, verschijnt er steeds meer over de oorzaken van de ontploffing, en daarmee over de schuldvraag.
In vergelijking met de Bijlmerramp komt dat journalistieke onderzoek snel op gang, terwijl de gezagsdragers meteen het vuur aan de schenen gelegd krijgen. Die afstandelijke benadering zo direct na de ramp wordt met name Nova-interviewer Kees Driehuis kwalijk genomen, getuige allerlei ingezonden brieven en internet discussies.

Toch is die journalistieke afstand nodig om niet te worden meegesleept in de woede en het verdriet van Enschede. Afstand houden is dan hard nodig om te voorkomen dat de fragmentarische en mondjesmaat beschikbaar komende informatie meteen wordt omgezet in paniekzaaiende koppen, zware beschuldigingen of voorbarige oordelen. Ondanks het goede journalistieke speurwerk komt het gedurende die eerste week nog niet tot een echte doorbraak over de precieze oorzaken van de ramp.
Die situatie waarin de hoeveelheid echt nieuwe informatie afneemt, maar de druk om nieuws te blijven brengen nog steeds groot is, ontstaat een goede voedingsbodem voor speculaties, geruchten en ongecontroleerde uitspraken. Zeker als de overheden zich terughoudend opstellen; niet alleen omdat alle aandacht gaat uit naar de crisissituatie op dat moment, maar ook omdat er nog maar flarden aan informatie beschikbaar zijn over de achtergronden en juridische aansprakelijkheid dreigt. De overheid staat voor een dilemma: zo weinig mogelijk informatie verstrekken wekt de indruk iets verborgen te willen houden. Maar meteen openheid van zaken over wat er op dat moment bekend is, kan leiden tot verkeerde interpretaties omdat de het bredere kader ontbreekt. Details worden soms enorm uitvergroot en kunnen in de berichtgeving vervolgens een eigen leven gaan leiden.

Als de informatiestromen opdrogen, kunnen er makkelijk allerlei wilde verhalen opduiken. Een voorbeeld daarvan is het nieuws over af en aan rijden van lijkwagens, waardoor een paar dagen na de ramp het vermoeden gaat ontstaan dat er veel meer doden zijn gevallen. Dagblad De Twentsche Courant/Tubantia (17 mei): "Er sterke aanwijzingen zijn dat het dodental van de ramp in Enschede hoger is dan de autoriteiten tot nu toe zeggen." (…) "Getuigen die anoniem willen blijven melden tenminste dertig lijken." Als er dan ook nog nadrukkelijk bij wordt vermeld dat de autoriteiten dit met kracht ontkennen, versterkt dit uiteraard de onrust in Enschede.
"Waarom zwijgt de overheid?" Vraagt een overlevende zich af in De Telegraaf (18 mei) "Ik heb de woensdag en de donderdag voor de ramp met eigen ogen militaire wagens het terrein van de vuurwerkopslag op zien rijden. Wij mogen er pas in als alle sporen uitgewist zijn." Dit soort verhalen kunnen, als ze niet snel worden gecontroleerd, aanleiding zijn voor allerlei complottheorieën. Hetzelfde geldt voor de berichten dat de eigenaren zijn ondergedoken om tijd te winnen, "kostbare tijd," aldus TC Tubantia: "Het kan passen in een complottheorie. Door zich dagen schuil te houden wekken Bakker, Pater en de werknemers de indruk dat ze wat te verbergen hebben."

Voor de media ontstaat zo ook een groot dilemma: hoe ver kun je gaan met speculaties over de oorzaken en de schuldvraag op basis van zo weinig betrouwbare informatie. De druk op de redacties is groot, de verleiding om toch maar te publiceren evenzeer.
In vrijwel iedere krant en tv-rubriek is bijvoorbeeld vuurwerk concurrent Haarman te zien die op basis van een prijslijst van S.E. Firworks meldt dat er zware explosieven lagen opgeslagen. Merkwaardig genoeg nemen de media er genoegen mee dat hij vervolgens niet wil zeggen om welk materiaal het nu precies gaat. Een dag later meldt weer iemand anders dat het dan wel zal gaan om titaniumbommen.
Zoals veel andere kranten maakt Tubantia regelmatig gebruik van anonieme getuigen die allerlei theorieën loslaten "Een springmeester uit Twente, die anoniem wenst te blijven is ervan overtuigd dat er in de vuurwerkopslagplaats dynamiet, kruit, dan wel munitie lag." (18 mei) Een andere anonieme bron, een ooggetuige volgens Tubantia, gaat nog een stap verder: "Ik denk dat het militaire springstof was, mogelijk een geheime opslag voor een ondergrondse na een eventuele bezetting van ons land." Ook in andere kranten gonst het van de geruchten en de anonieme deskundigen en getuigen. Volgens een anonieme deskundige in De Telegraaf (24 mei) is de brand in een werkruimte van het bedrijf begonnen.

Ruim een week na de ramp bleek dat verschillende interpretaties niet standhielden: de deuren hadden bij nader inzien toch niet opengestaan (het ging op de foto om schaduwen van coniferen en zijmuurtjes) en de eigenaar die op het schokkerige videootje voorbij komt rennen (ook zo'n eindeloos herhaald beeld), bleek volgens een reconstructie van Nova helemaal niet meteen laf op de vlucht te zijn geslagen. In de berichtgeving is dan ook een geleidelijke omslag te zien: worden de eigenaren aanvankelijk nog als de grote criminelen beschouwd (De Telegraaf zet beiden met foto's op de voorpagina: "Jacht op eigenaren." 19 mei), in de tweede week wordt dat beeld weer wat milder na uitspraken van hun advocaat. Algemeen dagblad ("Eigenaren zouden levens hebben gered.") brengt een bovendien interview met "mede-eigenaar en levenspartner" van een van de directeuren: "Onze onschuld zal blijken." (25 mei).
Internet, nog geen massamedium ten tijde van de Bijlmer, heeft bij Enschede onmiskenbaar een grote rol gespeeld, zeker in de eerste dagen. De informatiestromen op Internet zijn echter buitengewoon divers en oncontroleerbaar, zeker als het gaat om nieuwsgroepen en discussieforums. Dit soort discussies met mysterieuze bijdragen als: "Het dodental betreft volgens geheime bronnen al 44." (19 mei) vertonen een hoog X-Files-gehalte.

Toch dringen deze, vaak anonieme berichten soms door tot de krantenkolommen, met alle risico's van dien. "Mysterieuze details over vuurwerkramp op internet." Aldus Tubantia op 19 mei: "De anonieme afzender, die zich Pyrotech noemt, geeft een zeer gedetailleerde verklaring over de gang van zaken bij S.E. Fireworks, vlak voor de explosies." Volgens de krant blijkt daaruit "dat de afzender zaterdagmiddag op het terrein aanwezig was, of heeft gehoord wat zich daar heeft afgespeeld." Er zou zwart buskruit op het terrein zijn opgeslagen, eigenaar Bakker zou in de werkplaats bezig zijn geweest, de brand zou ontstaan zijn door een storing of sabotage, etc.
Ook NRC Handelsblad (17 mei) voert Pyrotech op als een "kennelijk goed geïnformeerde bron," Na felle discussies meldt Pyrotech op 19 mei echter in een laatste bericht dat hij geen ooggetuige was van de ramp en dat hij zijn excuses aanbiedt: "Pyrotech wilde geen hype veroorzaken, en wil dat deze onzin om mijn eerste bericht stopt. Het is uit de hand gelopen. "Ik heb de gevolgen van dat bericht onderschat toen ik het schreef." De maandag daarop meldt Tubantia:"Getuigenis ramp op internet blijkt verzonnen." NRC Handelsblad is nooit meer teruggekomen op Pyrotech.
Via Internet is veel informatie snel beschikbaar gemaakt, maar als het gaat om journalistiek onderzoek blijken de meeste Internet nieuwsdiensten en websites(Planet Internet, Nu.nl) zich te beperken tot het eindeloos recyclen van informatie, vaak weer afkomstig uit andere media. Het 'echte' onderzoek wordt in de praktijk nog steeds overgelaten aan de 'traditionele media', de dagbladen en de actualiteitenrubrieken bij de publieke omroep.

RTL Nieuws schakelde als eerste over op het rampenscenario, maar bij de follow-up berichtgeving zijn de commerciële televisiezenders zijn meer geïnteresseerd in die andere nieuwsstroom: het uitgebreid belichten van het leed na de ramp. Een dergelijke ramp past immers perfect in de bestaande reality tv formats met een hoog zwaailichtgehalte. Dagenlang konden de tv-kijkers kennis nemen van de verhalen van de mensen die bij de ramp betrokken waren. Sommige mensen, zoals de ouders van de omgekomen cameraman werden een hele dag gevolgd door een cameraploeg van SBS6, ook op momenten dat ze verschrikkelijk nieuws moesten verwerken. De media stonden overal bovenop en bleven doorgaan en doorvragen. Het was veel, heel veel en menige redactie zou zich moeten afvragen of het niet te veel was. Maar dit nieuws lag voor het grijpen, het is relatief makkelijk te produceren en het is in nieuwstermen gesproken bovendien zeer aantrekkelijk materiaal. Het emotioneert niet alleen, het scoort ook nog eens en daar gaat een onweerstaanbare aantrekkingskracht van uit.

Getraumatiseerde slachtoffers willen hun verhaal vele malen vertellen, ook aan journalisten, en daar gaat ook een zekere therapeutische werking uit. Maar men kan zich afvragen of de eindeloze herhaling van de beelden van de ramp, van de ontreddering en de ellende op den duur niet een averechts effect kan hebben. Telkens weer die confrontatie leidt misschien wel tot een versterking van het trauma en daarmee het ontstaan van de gezondheidsklachten die horen bij post traumatische stress stoornis. Ook verhalen over mogelijke giftige stoffen, over doofpotten bij de verantwoordelijke overheden, over geheimzinnige munitie in de vuurwerkopslag, etc. kunnen dat soort effecten opleveren. Dat legt een zware verantwoordelijkheid bij de media: slecht onderbouwde onthullingen of beschuldigingen kunnen schade aanrichten. En dat is iets om rekening mee te houden de komende weken.




woensdag 1 maart 2000

De dynamiek van de mediahype

Gepubliceerd in Massacommunicatie

In: Tijdschrift voor Communicatiewetenschap. Jaargang 28, nummer 1, 2000.
Peter Vasterman

Aan de hand van analyses van recente nieuwsgolven (‘zinloos geweld’, ‘versterving’, ontucht op scholen, de varkenspestepidemie, de Groningse bestuurscrisis en de Britse BSE-crisis,) wordt een theoretisch model ontwikkeld voor de beschrijving van de speciale dynamiek die zich bij verschillende soorten mediahypes voordoet. Centraal staan de triggers van de hype en de invloed van de berichtgeving op de gebeurtenissen.

 

donderdag 10 februari 2000

Verstelbare nieuwsdrempels

Er is geen direct verband tussen de ernst van een geweldmisdrijf en de hoeveelheid media-aandacht, betoogt hypedeskundige Peter Vasterman.

In verkorte versie gepubliceerd in: NRC Handelsblad  10 februari 2000.


In een grote kop over de volle breedte van de voorpagina brengt de Zwolse Courant op maandag 17 januari 2000 het schokkende nieuws: “Epidemie van zinloos geweld.” Het artikel opent met de onheilspellende zin: “In het hele land heeft de politie het afgelopen weekeinde arrestaties verricht wegens zinloos geweld.” En vervolgens passeren allerlei geweldsdelicten de revue in Leeuwarden, Rotterdam, Nijmegen en Vlaardingen.
In die laatste plaats heeft op de vrijdagavond daarvoor een stille tocht tegen zinloos geweld plaatsgevonden, waar naar schatting 20.000 mensen de dood herdachten van Daniel van Cotthem, die na een klap tegen zijn slaap in coma raakte en overleed. De student die zijn vriendin naar de trein bracht, werd zonder aanleiding lastig gevallen door een groepje jongeren. Aanvankelijk is de berichtgeving nog summier, maar dan komt er al snel, net als bij Tjoelker in 1997, een wisselwerking op gang tussen de media-aandacht en maatschappelijke verontwaardiging, culminerend in die drukbezochte stille tocht. Live verslaggeving voor verschillende tv-zenders maken van Vlaardingen definitief een nationaal gebeuren en zetten Daniel bij in het rijtje bekende slachtoffers van zinloos geweld.